De Watergeus - deel 3: de Nationale Princenhoftocht van 1943

Het eerste jaar na de oprichting van 'De Watergeus' in november 1941 was eigenlijk een soort 'opstart-jaar'. De Watersportmiddag van 1 augustus 1942 (zie deel 2) was een mooie oefening voor het organiseren van een veel groter evenement: de Nationale Princenhoftocht. Tussen 1943 en 1949 zou de Dokkumer zeilclub die uiteindelijk vijf keer organiseren. In dit deel gaan we in op de eerste editie op 3 juni (Hemelvaartsdag) 1943. 

  

Na de organisatie van de watersportmiddag in 1942 (samen met de Dokkumer Zwem en Poloclub) had het jonge bestuur van De Watergeus de smaak te pakken. Blijkbaar ging het organiseren van een evenement hen goed af, en werd het nu tijd voor het 'echte werk'. Want het evenement in het Dokkumer zwembad en de stadsgracht mocht dan een succes zijn geweest, met zeilen had het natuurlijk niks van doen. En De Watergeus was per slot van rekening wel opgericht als zeilclub. 

Mogelijk was het idee ervoor er al van meet af aan, maar in de winter van 1942-1943 zal het pas concreet vorm hebben gekregen: een groot zeilevenement in het gebied tussen Eernewoude en Grouw. Met de naam 'Nationale Princenhoftocht' staken Dokkumers hun ambities niet onder stoelen of banken. En dankzij hun energieke en moderne aanpak en goede contacten wisten ze de hoge verwachtingen ook waar te maken. 

 

De naam Princenhof(tocht)

Tussen Eernewoude en Grouw lag een waterrijk gebied met aan de kant van Eernewoude de Oude Venen, de Prinsenhof en de Petten: een doolhof van veenplassen, petgaten, sloten en slootjes. Via een paar grotere vaarten kwam men op de wat ruimere wateren bij Grouw: Biggemeer, Pikmeer, Peanster Ee, Wijde Ee en Sitebuurster Ee. Meer nog dan Sneek, en zeker dan dorpen als Langweer, Heeg en Terhorne, was Grouw van oudsher hét centrum van de Friese watersport. De oudste zeilvereniging van Friesland, 'Oostergoo' (opgericht in 1848) zetelde formeel in Leeuwarden maar had Grouw als uitvalsbasis. Met 'Zeilvereniging Frisia' kreeg het dorp in 1860 ook een 'eigen' zeilclub.

 

In Eernewoude werd in 1871 Zeil Vereeniging Eendracht maakt Macht opgericht, maar dat was vooral een lokale aangelegenheid. Eernewoude en het water in de omgeving bleven nog lang voornamelijk het domein van vissers. De ambitieuze bakkerszoon Piet Miedema nam zich voor om zijn dorp en de omgeving toeristisch op de kaart te zetten. In 1939 opende hij ten westen van het dorp, direct aan het water, Hotel Princenhof.

Miedema noemde zijn hotel naar 's Prinsenhof, de naam waarmee het deel van het gebied ten zuiden van de Folkertsloot van oudsher werd aangeduid, dat vroeger door de Oranjes als jachtgebied werd gebruikt. Mogelijk verving hij de 's' door een 'c' om verwarring te voorkomen met de Prinsenhof in de stad Groningen. Maar met die 'c' oogde de naam natuurlijk ook wat chiquer.

Fragment van de Chromotopografische Kaart des Rijks, samengesteld uit de kaartbladen 110, 111, 128 en 129 (verkend in 1927 en 1928)

Blijkbaar kreeg Miedema de zaak direct goed aan de praat: twee jaar na de opening werd het hotel al uitgebreid met een tweede vleugel. In het vorige deel van dit verhaal zagen we dat daarvóór Eernewoude als watersportdorp onbedoeld een zetje in de rug had  gekregen van de Duitse bezetter. Maar Miedema was ambitieus, en was blij met de net zo ambitieuze Dokkumers: die zouden met hun plannen flink bij kunnen dragen aan het nóg meer op de kaart van Eernewoude en omgeving. 


De eerste Nationale Princenhoftocht

De eerste editie van de Nationale Princenhoftocht was op Hemelvaartsdag 1943 (3 juni). De tocht werd pas relatief kort van te voren aangekondigd. Eind maart pakte 'vakblad' Waterkampioen wel direct flink uit met een paginagroot artikel met daarbij een routekaartje. Verder zien we half april een aankondiging in de Friesche Courant en half mei in het Sneeker Nieuwsblad. In de tussentijd voegde men aan het programma nog een 'attractie' toe. Dat kon "door de medewerking van de Vereeniging 'Eendracht maakt Macht' te Eernewoude, een vereeniging van aalvisschers, die met haar schilderachtige zeilbootjes buiten mededinging aan wedstrijd- en toertocht,"den watersportdag hoopt op te vroolijken", aldus het Sneeker Nieuwsblad. Het ambitieniveau van de Watergeuzen lag hoog: in de pers liet men optekenen dat het doel was om "den tocht, evenals de Elfstedentocht, te laten uitgroeien tot een jaarlijksch wederkeerend sportevenement".



Blijkbaar kwamen de aanmeldingen voor de tocht pas laat op gang, én had het bestuur van De Watergeus de organisatie van zo'n groot evenement toch wat onderschat.  Op 21 mei schreef het Algemeen Handelsblad: "uit alle deelen van het land kwamen in de laatste dagen, ondanks de tijdsomstandigheden welke den tocht dreigden te zullen doen mislukken, de inschrijvingen reeds aan het secretariaat van Zeilclub "De Watergeus", Groote Breedstraat A26, Dokkum, binnen". 

Eén van de zaken die vermoedelijk veel tijd opslokte, was het organiseren van 'sleepjes'. Daarmee konden deelnemers zich vanuit verschillende plaatsen, waaronder Leeuwarden, Sneek en Groningen, in een lange sleep achter een motorboot naar Eernewoude laten vervoeren.    

Een ander 'dingetje' dat waarschijnlijk meer tijd kostte dan gedacht, was het forse aantal wisselbekers die De Watergeus in het vooruitzicht stelde (naast de plaquette die iedere deelnemer kreeg): één voor elk van de acht verschillende zeilklassen (16m2 toerklasse, 16m2 eenheidsklasse, 22m2 klasse, 30m2 klasse, BM-klasse, Schouwen-klasse, Valk-klasse, Larken-klasse) en één voor de aalvissers. Voor die negen (zilveren!) bekers ging men in de hele provincie, maar ook ver daarbuiten op zoek naar sponsors, en met succes. Blijkbaar had het jonge bestuur veel contacten in den lande. Behalve door Friese bedrijven werden ook wisselbekers aangeboden door o.m. Jhr. Six van Hillegom te Amsterdam, ir. Enschede te Utrecht, de firma Bruynzeel te Zaandam, de heer L. van Kimmenade te Helmond en de firma H. ten Brink en J. Koopmans te Enschede. Op 21 mei meldde het Sneeker Nieuwsblad dat de wisselbekers vanaf die dag te bezichtigen waren bij Bloemhof's Sigarenmagazijn in Sneek.  

 

Van de 1e Nationale Princenhoftocht (NPT) maakten de organisatoren een fotoalbum, dat in bezit is van Dick Piersma, zoon van penningmeester Watte Piersma. Hieronder twee pagina's uit dat album. 

 

De 1e NPT werd alom gezien als een groot succes, en de jonge Dokkumer zeilclub kreeg veel lof toegezwaaid. Zo ook in een uitgebreide beschouwing in de Waterkampioen, die onder meer schrijft: "...en even jeugdig zijn haar vijf bestuursleden, die samen nog geen anderhalve eeuw oud zijn. Maar toch hebben deze jonge knapen het aangedurfd om met prijzenswaardig enthousiasme - en ongetwijfeld ook een tikje jeugdigen overmoed - een sportgebeurtenis in het leven te roepen, die dadelijk in wijden kring belangstelling trok".  En even verder: "de organisatie voor dezen eersten tocht was werkelijk bewonderenswaardig en grootsch opgezet".

Maar de Waterkampioen is ook kritisch, bijvoorbeeld op het idee om het evenement altijd op Hemelvaartsdag te organiseren. De schrijver denkt dat het weer zo vroeg in het seizoen een groot risico vormt, en "stellig zijn invloed zal hebben op de deelname".  Ook vanwege het feit dat de meeste mensen in mei nog geen vakantie hebben moest de organisatie volgens de Waterkampioen niet te hoge verwachtingen koesteren van deelname van buiten Friesland. Verder wordt opgemerkt dat het starten niet altijd vlekkeloos ging, zeker bij "de met veel reclame aangekondigde, maar danig teleurstellende Eernewoudster Aalvisschersbooten, die alle veel te laat en mijlen uit elkaar vertrokken". Tenslotte adviseert de verslaggever met klem om voortaan Grouw als startplaats te nemen, vanwege de (te) beperkte ruimte bij Eernewoude. 


Het dringende advies in de Waterkampioen om de start van de NPT voortaan in Grouw te laten plaatsvinden, slaat het bestuur van 'De Watergeus' in de wind. Gelet op de hechte band van de Dokkumers met Eernewoude en hotel Princenhof is dat niet verwonderlijk. Wel wordt besloten om het evenement later in het seizoen te houden. Begin maart 1944 wordt op de jaarvergadering van de club bekend gemaakt dat de tweede NPT zal plaatsvinden op 5 augustus 1944.

Na het succes van de eerste editie en de lof die De Watergeus daarvoor kreeg toegezwaaid heeft het bestuur de smaak goed te pakken. Zo maakte men bijvoorbeeld serieus werk van de promotie van het evenement : "De laatste maanden werden door de heeren Kingma en Geveke propaganda-avonden georganiseerd in Gelderland en Twente voor den Nationalen Princenhoftocht", aldus de Friesche Courant van 6 maart 1944. Tijdens die promotie-avonden werden ook 'lichtbeelden' getoond van de 1e NPT. Vrijwel zeker was dat de 16 mm-film die secretaris Kingma vier jaar later in het blad "Golfslag" te huur aanbood aan verenigingen (samen met nog twee andere, latere films).

 

Behalve de 2e NPT worden op de jaarvergadering ook drie interne clubactiviteiten aangekondigd: een openingstocht op 20 mei, onderlinge wedstrijden op 24 juni en een sluitingstocht op 16 september. Misschien allemaal niet zo spannend en 'klein bier' vergeleken met de NPT, alles bij elkaar is het toch een behoorlijk uitgebreid programma. Maar kennelijk is het enthousiasme en de energie onuitputtelijk, want het bestuur heeft nóg een plan opgevat. Bijna terloops meldt De Friesche Courant daarover: "Verder zal het bestuur dit jaar nog 'n wedstrijd 'Skutsje Sylen' (wedstrijd van beurt- en vrachtschepen) organiseeren". Achteraf bleek dit initiatief van de Watergeus de opmaat te zijn voor de oprichting in 1945 van de SKS (Sintrale Kommisje Skûtsjesilen)...

 

Het lijkt erop dat 'De Watergeus' met alle plannen toch wat teveel hooi op de vork heeft genomen. Zo laat men blijkbaar steken vallen in de publiciteit rondom de 2e NPT, want er is verwarring over de datum. Eind april wordt in verschillende kranten gemeld dat de tocht dit jaar niet op Hemelvaartsdag is, maar op 5 augustus. 

 

Je zou zeggen dat men daarmee de zaak ruim op tijd alsnog goed op de rit had gezet, maar kennelijk speelden er achter de schermen meer problemen. Wellicht had het 'tikje jeugdigen overmoed' van het bestuur (aldus de Waterkampioen in 1943) ertoe geleid dat het de Dokkumers nu allemaal wat over de schoenen liep. Hoe dan ook, op zeker moment werd besloten dat de NPT in 1944 niet doorging. Een officieel bericht daarover in de pers hebben we niet gevonden. Voelde de afgelasting als een nederlaag, wilde het bestuur die niet publiekelijk 'toegeven' en deed men er daarom maar het zwijgen toe? Het zou kunnen.

Toch hoefde het bestuur zich niet te schamen. Dat het evenement niet doorging, lag naar alle waarschijnlijkheid niet aan hen. In een bericht in de Heerenveensche Koerier van 25 juli 1945 (waarin voor dát jaar alsnog de 2e NPT wordt aangekondigd) wordt een weinig steekhoudende verklaring gegeven: "In 1944 kon aan de plannen van 'De Watergeus' geen uitvoering worden gegeven. De booten voor de N.P.T. waren ten deele in beslag genomen of ondergedoken, het verkeer gestremd of verboden".  Direct onder dat bericht noemt men wat getallen. Daaruit blijkt dat 'te weinig boten' nauwelijks reden kon zijn voor het cancelen van de NPT van 1944. 

Ook 'gestremd of verboden verkeer' lijkt een wat gezocht argument: de NPT-route zelf lag in elk geval buiten het 'sperrgebiet' voor de pleziervaart dat de Duitsers in 1941 hadden ingesteld (zie deel 2). En ín het 'sperrgebiet' waren ontheffingen mogelijk voor zeil- en roeiwedstrijden. Naar Eernewoude tóe varen zou dus, zij het met enige moeite, ook geregeld moeten kunnen worden. De werkelijke reden voor het niet doorgaan van het evenement was mogelijk veel platter, namelijk dat de Duitsers het gewoon verboden, omdat ze het kónden verbieden. 

Zeker in het laatste oorlogsjaar werd de sfeer in bezet Nederland steeds grimmiger. Vanzelfsprekend ging dat ook ten koste van de aanvankelijk goede verstandhouding die 'De Watergeus' met de Duitsers had (men organiseerde zelfs wel eens zeiltochtjes voor 'de vijand'). Voor de goede orde: die welwillende houding van de Watergeuzen was 'fake', en het 'gevlei' diende een hoger doel. Door de bezetter wat te paaien en af te leiden beschermde men de onderduikers in het gebied. Het is goed denkbaar dat de Duitsers daar op zeker moment wel doorheen prikten en dat de relatie met De Watergeus omsloeg in een vijandige, uitmondend in een verbod om de NPT van 1944 door te laten gaan. 

 

Ondanks de (vermoedelijk) ernstig bekoelde relatie met de Duitsers kregen de Watergeuzen wél toestemming om dat andere geplande evenement door te laten gaan: het 'Skutsje Sylen'. Die wedstrijd op 22 juli 1944 staat centraal in Deel 4, en dan met name de vraag of de bijna mythische status ervan wel helemaal terecht is. 

 

Wordt vervolgd!