Scheepswerf Barkmeijer

Gerrit Douwes Barkmeijer (01-04-1853 – 30-03-1927) was de oudste zoon van Douwe Gerrits die een werf in Stroobos bezat. Hij leerde het vak bij zijn vader op de werf en het was gebruikelijk dat de oudste zoon de werf als nieuwe generatie voortzette. Maar Gerrit besloot anders en liet het ouderlijk bedrijf aan zijn broer.

 

Gerrit vertrok naar Dokkum waar hij in 1883 de werf van Hendrik Harmens Vink (1810 – 1890) kocht. Vink had een goede naam en klandizie en had sinds 1853 als scheepstimmerman vele schuiteschepen, kofschepen en snikschepen gebouwd. De werf bestond toen uit vier hellingen, twee timmerschuren en een pekhok. Bij de werf hoorde nog een woonhuis dat uit twee vertrekken, keuken, kelder, washok, regenwaterbak en verdere 'gerieflijkheden' bestond.

Gerrit bracht waarschijnlijk zijn eigen gereedschap mee omdat Vink naast de verkoop van de werf veel timmergereedschap apart verkocht zoals kettingen, domme krachten, vijzels, helmtouwen

en schijfblokken. Daarnaast verkocht hij nog vijf pramen en een partij krom en gezaagd hout.

 

Het gebied rond de streek was wat wij tegenwoordig een industrieterrein zouden noemen waar gewoond en gewerkt werd.

Zo was er een Paardenwas en aan de Altenastreek was het  

houtstek van Banga gevestigd. Dit hele gebied behoorde aan het buurdorp Aalzum toe, zoals alle grond buiten de wallen van Dokkum aan andere buurdorpen toebehoorde.

 

Fragment van een kadasterkaart uit 1887. Op de hoek van de stadsgracht en de Dokkumer Ee ligt de werf van Barkmeijer
Fragment van een kadasterkaart uit 1887. Op de hoek van de stadsgracht en de Dokkumer Ee ligt de werf van Barkmeijer
Houthandel Banga 1954
Houthandel Banga 1954

 

Gerrit was op 26 mei 1877 in Buitenpost getrouwd met Agnietje Martens de Vries uit Stroobos. Ze kregen in Aalzum een dochter maar Agnietje overleed een paar jaar later op de jonge leeftijd van 32 jaar op 29 april 1885. Tweeënhalf jaar later trouwde Gerrit opnieuw, nu met Antje Hacquebord waarmee hij nog zes kinderen kreeg, twee dochters en vier zonen.

 

 

Gerrit Barkmeijer en Antje Hacquebord
Gerrit Barkmeijer en Antje Hacquebord

Scheepsbouwwerf De Nijverheid, G. Barkmeijer had volop werk en er was al snel behoefte aan uitbreiding. De ruimte daarvoor ontstond door de aankoop van een eilandje tegenover de werf,  waar voorheen cichoreifabriek De Grietman had gestaan.

 

Dat eilandje was ontstaan nadat Provinciale Staten op 2 mei 1877 hadden besloten tot het maken van een afsnijding vanuit de Dokkumer Ee langs de west- en zuidkant van De Grietman tot in de zuidelijke stadsgracht, "ter beteugeling der opstuwing en ter bevordering ener betere afstroming van het provinciaal boezemwater, zomede in het belang van handel en scheepvaart”. Omdat De Grietman hierdoor op een eiland kwam te staan werd de fabriek door de provincie in april 1882 aangekocht en afgebroken.

 

Gerrit bouwde een werkplaats op het eilandje, dat sindsdien in de volksmond “Het eilandje van Barkmeijer” heette. Tot eind 19e eeuw werden er in hout volop schepen gebouwd zoals roefpramen, zeepramen, veepramen, vlotpramen, snikken, vissersboten, jollen,

tjalken en klipperaken en daarnaast het nodige reparatiewerk. Na de ramp van Moddergat in 1883 werd  bijvoorbeeld de gestrande blazer WL3 hier weer gerepareerd.

 

Daarnaast werden regelmatig schepen ingeruild waardoor ook een

tweedehands handel ontstond en er ook schepen verhuurd werden. In wat rustiger tijden werd soms een schip voor eigen rekening en risico gebouwd.

 

De werf van Barkmeijer in 1920 met twee schepen op de langshelling
De werf van Barkmeijer in 1920 met twee schepen op de langshelling
De werf in 1920. Links het eilandje met werkplaats
De werf in 1920. Links het eilandje met werkplaats

 

Vanaf 1900 worden ook de eerste schepen in ijzer op de Barkmeijer werf gebouwd. In totaal werden er 82 roefschepen gebouwd met een gemiddelde lengte van rond de 15 meter waardoor zij de sluizen rond Dokkum, het Ooster- en Noorderverlaat, konden passeren en toegang hadden tot de dorpen in Noordoost Friesland. Ook werden er tjalken gebouwd van 87 tot 92 ton en in 1913 gleed een schoener van 90 ton voor Duitse rekening van de helling.

In 1915 werd het laatste skûtsje op de helling gebouwd en ging men door de schrikbarend gestegen ijzerprijzen, veroorzaakt door de eerste wereldoorlog over op motorboten, motorschoeners en motorvrachtboten.

Door de toetreding van Gerrits tweede zoon Anne was de naam van de werf in 1911 veranderd in G. Barkmeijer & Zn. Naast vader en zoon waren er toen nog zeven knechten in dienst.

 

Na 1920 raakte de gehele Friese scheepsbouw in een recessie die Anne deed besluiten om twee weken na het overlijden van zijn vader in 1927 de werf te sluiten. Voor de werknemers zal dit een harde klap geweest zijn maar zijn vader bleef dit leed bespaard. Anne was nog wel in staat de werf netjes te liquideren zonder achterlating van gedupeerde schuldeisers. Een jaar later brak voor de scheepsbouw al de crisis uit die vanaf 1930 voor de gehele industrie zou gelden.